Terug

 

 

Ludwig Wittgenstein: De Filosofische onderzoekingen (Philosophische Untersuchungen)

 

De 'Filosofische onderzoekingen' is waarschijnlijk de meest baandoorbrekende tekst uit de geschiedenis van de filosofie. De filosofische onderzoekingen zijn echte onderzoekingen en echt filosofisch.

Wittgenstein neemt de lezer mee naar gebieden waar we dachten kennis van te hebben. Door bepaalde vragen te stellen over dergelijke gebieden blijkt dat datgene wat aanvankelijk helder en duidelijk leek onzeker. We blijken over veel zaken aannames te maken die bij nader onderzoek eigenlijk nergens op gebaseerd te zijn.

Door op deze manier opnieuw na te denken over hetgeen aan de orde wordt gesteld, kunnen nieuwe inzichten ontwikkeld worden. Wittgenstein ontwikkelt deze inzichten samen met de lezer. Op deze manier wordt de lezer betrokken in het onderzoek en mede deelgenoot aan de ontwikkeling van het nieuwe. Samen met Wittgenstein worden werkelijk nieuwe gebieden van het denken verkend.

De tekst van de Filosofische onderzoekingen is opgebouwd uit genummerde paragrafen. Waarschijnlijk heeft dat te maken met het feit dat Wittgenstein de tekst nog aan het bewerken was op het moment dat hij overleed. (20 april 1950)
Aan de ander kant schrijft Ray Monk in zijn biografie 'Ludwig Wittgenstein, Het heilige moeten' dat het voor Wittgenstein erg moeilijk was een tekst af te maken. Iedere keer dat een tekst doorgewerkt werd voor verbeteringen, liep dat uit op een grondige herziening. Vervolgens kon de tekst nog niet gepubliceerd worden omdat er nog te veel aan moest veranderen.

De hang naar precisie, het perfectionisme en de behoefte de aangesneden zaken helder te krijgen waren de belangrijkste belemmeringen voor snelle publicatie.
Wittgenstein had eenmaal, met de Tractatus gemeend alle problemen van de filosofie eens en voor al  te beslechten door filosofische problemen als taalproblemen te analyseren.
Met een taal met een heldere grammatica, met woorden die ondubbelzinnig verwijzen naar dingen in de wereld en proposities die eenduidige beschrijvingen geven van gebeurtenissen (standen van zaken) in de wereld moeten alle zaken afdoende beschreven kunnen worden. Daarmee is vastgelegd hoe en waarover zinvol gesproken kan worden. Voor de rest past ons een (eerbieding) zwijgen.
(zie hiervoor: Wittgenstein's Tractatus)

In het eerste gedeelte van de Filosofische Onderzoekingen bespreekt Wittgenstein een groot aantal vragen die met deze opvatting over de taal verbonden zijn. Na aanvankelijk de opvatting van de Tractatus herhaald te hebben in de vorm van een beschrijving van een primitieve taal die overeenkomt met het voorstel uit de Tractatus, bespreekt Wittgenstein gevallen die niet door deze theorie verklaard worden. De problemen met de theorie zijn van logische, semantische en pragmatische aard.
Logisch: de logica van de taal van de Tractatus leent zich voor beschrijvingen van gebeurtenissen. Deze beschrijvingen kunnen waar zijn of onwaar, naar gelang de standen van zaken daadwerkelijk bestaan of niet. Soms wordt de taal voor andere doelen gebruikt dan beschrijvingen in deze wetenschappelijke zin.

Semantisch: niet altijd wordt taal gebruikt om te verwijzen naar zaken die directe correlaten hebben in de werkelijkheid, maar ook om zaken te bespreken waarvan helemaal niet zeker is of er wel een correlaat in de werkelijkheid is.

Pragmatisch: de vorige twee punten kondigden het al aan: de taal wordt voor veel meer doeleinden gebruikt dan het bedrijven van wetenschap alleen. Omgekeerd valt ook niet ieder taalgebruik terug te voeren op het soort dat in de Tractatus beschreven is.

Dit laatste inzicht, dat taal meer doeleinden dient, mag wel de grootste verdienste van Wittgenstein genoemd worden. De term die Wittgenstein daarvoor ijkte was die van het 'taalspel'. Deze notie heeft de opvattingen over de taal diepgaand beďnvloed.

Hieronder volgt van enkele gedeelten uit de Filosofische onderzoekingen een beknopte vertaling.

Het eerste deel van de Filosofische onderzoekingen bespreekt het begrip van de taal. In paragrafen 1 en 2 wordt een korte definitie gegeven van een primitieve taal ŕ la de Tractatus. Vervolgens wordt ingegaan op de problemen die met een dergelijke voorstelling van de taal verbonden zijn.

 

Deel 1 Het wezen van de menselijke taal:

1. Woorden in de taal benoemen voorwerpen. Zinnen zijn verbindingen van zulke benamingen. Ieder woord heeft dus een betekenis; de betekenis is aan het woord gekoppeld. Zij is het voorwerp waar het woord voor staat.
 

2. In deze paragraaf een beschrijving van een primitieve taal.
 

3. De primitieve taal uit 2.dekt niet alles wat we 'taal' noemen.
 

4. Taal beperken tot een communicatiesysteem (overdracht van betekenis) betekent afzien van andere functies van taal.
 

5. Door betekenis op te vatten als: het voorwerp waar het woord voor staat kunnen we geen goed beeld krijgen van het functioneren van een taal.
 

6. Aanwijzende definities hebben tot doel een verband te leggen tussen een woord en een voorwerp.

'Bij het uitspreken van het woord krijgt de hoorder een voorstelling van het voorwerp voor de geest.' Is dit de bedoeling van een aanwijzende definitie? Kan zijn, maar het is niet de enige bedoeling.

7. Een primitieve taal kunnen we een taalspel noemen en ook het geheel: de taal en de activiteiten waarmee ze verweven is, kunnen we 'taalspel' noemen.
 

8. Uitbreiding van het taalspel uit 2 met telwoorden.
 

9. Kunnen ook woorden als 'dit' en 'dat' en 'daarheen' aanwijzend geleerd worden?
Deze vraag laat zien dat de opvatting over taal uit 2 aangevuld met de aanwijzende definities niet alles verklaren. In een diepere zin stelt het ook de vraag naar wat een verklaring eigenlijk is.
 

10. Wat duiden de woorden van deze taal nu aan?

Wat ze (de woorden) aanduiden moet blijken uit het gebruik.
 

11. Bij gereedschap is dat ook het geval: ieder gereedschap z'n functie.

Ook in de taal zijn er vele functies voor de woorden.
 

12. Hendels lijken allemaal op elkaar: toch kennen ze verschillende gebruiken en functies.
 

13. De uitdrukking, de zin: 'Ieder woord heeft een betekenis' betekent niets.
 

14.....
 

15. Een sticker met de naam op het voorwerp is de meest directe vorm van aanduiden.
 

16. Maakt een kleurstaal deel uit van de taal? Waarschijnlijk wel.
 

17. Namen van dingen zijn niet een soort natuurlijke elementen in de taal. Het ene element is niet vanzelfsprekender dan het ander.
 

18. Wanneer is een taal volledig? Het onvolledig zijn van de voorbeeldtalen is geen reden om de voorbeelden af te wijzen. Een taal is te vergelijken met een stad. Wij zouden zeggen met een weefsel. Er is een structuur, delen worden toegevoegd, andere delen verdwijnen, etc.

In het volgende gedeelte komt Wittgenstein met een vraag die de in de inleiding bedoelde verkenning van een nieuw terrein illustreert. 'Ik bedoelde met mijn woorden het volgende te zeggen..' Ogenschijnlijk lijkt het dat er geen probleem is met bedoelen. Wanneer de minister zegt dat hij niet bedoelde wat er in het interview geschreven staat, dan kan er aan de woorden een nieuwe uitleg gegeven worden, waarna wij beter begrijpen wat de minister bedoelde toen hij de woorden uitsprak. Maar er is meer aan de hand: 

 19. Er kunnen allerlei soorten talen zijn, ieder met een doel en functie. En zich een taal voorstellen betekent zich een levensvorm voorstellen.

We spreken heel gemakkelijk over allerlei zaken die we met taal doen. Neem bijvoorbeeld een handeling als bedoelen. Maar weten we eigenlijk wel hoe dat gaat: bedoelen?

Neem het voorbeeld uit taal (2).

We zeggen in die taal: 'Plaat!', en bedoelen: 'Breng mij die plaat'!. Is het zo dat wij die bedoeling begrijpen door de onverkorte zin in onszelf uit te spreken?

De zin: 'Breng mij die plaat'! is géén zin van taal (2).

We begrijpen de bedoeling van een zin als we de plaat brengen! (=de handeling uitvoeren)
 

20. Betekent 'beheersen van een taal' dat er iets in de geest gebeurt terwijl we de zin uitspreken?

'Beheersen van een taal' is het op de juiste manier gebruiken van taal. Zinnen hebben dezelfde betekenis als hun gebruik hetzelfde is.
 

21. We kunnen de melding 'vijf platen' opvatten als een mededeling dat er nog vijf platen zijn en het bevel 'vijf platen!' om vijf platen te brengen.

Wat maakt dat het ene een mededeling is en het ander een bevel?

Er is een verschil in de rol die de woorden spelen in het taalspel. Het een heeft de functie van een mededeling en het ander van een bevel in de praktijk van de taal.

 

22. Het is niet zo dat we bij iedere uitspraak de functie van de uitspraak er uit kunnen halen en apart vermelden: 'Ik beveel je: vijf platen'.

Frege heeft zoiets geprobeerd voor beweringen, maar dat lukt niet goed. 'Ik beweer dat: dat en dat is het geval' In zo'n geval zijn de woorden 'Ik beweer dat...' overbodig: Ik beweer het gewoon, mijn woorden worden zo opgevat.
Wittgenstein doelt hier op wat door Austin later performatieve werkwoorden zijn genoemd. Werkwoorden die een handeling of een houding ten opzichte van de propositionele inhoud uitdrukken.
Frege deed het eerste voorstel in deze richting, de uidrukking 'Geef mij de steen!' als synoniem te beschouwen aan 'Ik beveel je de steen te geven!', waarbij 'de steen geven' de propositionele inhoud is en 'ik beveel' de handeling aangeeft die ik uitvoer.
Wittgenstein laat zien dat de twee niet als synoniem opgevat kunnen worden. De een is niet zonder betekenisverandering te vervangen door de ander.

 

23. Er zijn vele soorten zinnen: bevelen, vragen, beweringen, .... Er zijn vele manieren om dat te gebruiken wat wij 'tekens', 'woorden' en 'zinnen' noemen. Die manieren van gebruik noemen we de taalspelen.

Het woord 'taalspel' moet hier beklemtonen dat het spreken van een taal deel uitmaakt van een activiteit, of een levensvorm.
 

24. De taalspelen kennen een grote verscheidenheid. We kunnen ook niet de vraag stellen: 'Wat is een vraag?' en daar één antwoord op verwachten. (zie voorbeelden in de tekst)
 

25. Dieren spreken niet omdat ze de geestelijke vermogens niet voor beschikken: nee, dat is het niet: ze spreken gewoon niet: ze gebruiken geen taal.

Bevelen, vragen, vertellen, kletsen behoren net zo tot onze natuurlijke historie als lopen, eten, drinken en spelen.
 

26. Men denkt het leren van taal is het benoemen van voorwerpen. Onzin!
 

27. Ten eerste: de aanwijzende definitie is niet een soort primitieve van de taal. Het vragen naar de naam van iets en het aanwijzend definiëren is een taalspel op zich!
 

28. Het aanwijzend definiëren van getallen is niet zo eenvoudig als het lijkt. 'Dit heet twee'. Is dit een aanwijzende definitie van het getal twee.
 

29. Of moeten we zeggen: 'Dit getal heet twee'. Maar we moeten de betekenis van 'getal' al kennen willen we de aanwijzende definitie van twee begrijpen.

Of het woord 'getal' in de aanwijzende definitie van twee nodig is, hangt ervan af of de ander die definitie zonder dit woord anders opvat dan ik wil. En hoe hij de verklaring opvat blijkt uit de manier waarop hij gebruik maakt van het verklaarde woord.
 

30. Je moet dus al iets weten om naar de benaming van iets te kunnen vragen. Maar wat moeten we dan zoal weten?
 

31. Dit speelt op ieder gebied. Ik kan iemand 'dit is de koning in het schaken'. We moeten over veel kennis beschikken om zo'n uitdrukking te begrijpen.

32. Een nieuwe taal leren kan wanneer we over de kennis beschikken die opgesloten zit in onze eigen taal.
 

33. Een zet bij het schaken bestaat niet alleen uit het feit dat het stuk zo en zo over het bord wordt geschoven, dat gebeurt ook. Een zet in het schaakspel bestaat ook niet uit de gedachten of gevoelens van de speler die de zet begeleiden. Er is een totaliteit van omstandigheden die we 'een partij schaak spelen' noemen en binnen deze omstandigheden is een bepaalde zet een zet in het schaakspel.

Zo is  het ook in de taal. Een zet in het taalspel is alleen een zet als de omstandigheden 'een bepaald taalspel te spelen' aanwezig zijn.


 

OVER HET VOLGEN VAN EEN REGEL

 

198. 'Alle handelingen zijn te verenigen met een interpretatie van een regel.' D.w.z. iedere handeling is met een regel in verband te brengen.

De vraag kan ook zo gesteld worden: wat heeft een richtingaanwijzer met een handeling van mij te maken?

Ik wil naar Zwolle. Ik volg de borden die mij daarnaartoe voeren. Maar wat heeft de richtingaanwijzer met mijn trappen op de trappers van de fiets te maken? Op het bord staat niet 'trap met voldoende kracht eerst op de rechter pedaal van de fiets, vervol­gens....' Hoe weet ik wat ik moet doen om de aanwijzing op het bord te volgen.

Met de vraag 'hoe weet ik..?' lijkt Wittgenstein steeds te willen zeggen: We dachten dat we daar een helder beeld van hadden, maar vanuit dit gezichtspunt is het nog maar de vraag of we het wel zo duidelijk weten.

Tegen welk beeld Wittgenstein dan ageert maakt hij niet altijd duidelijk. D.w.z. hij bespreekt niet een auteur of een tekst. We moeten eigenlijk steeds zelf op zoek naar de auteur die hij bedoelt en vaak is er geen auteur, maar stelt W. algemene opvattingen aan de kaak.

Welk beeld stelt Wittgenstein hier aan de orde bij het volgen van een regel?

Het gaat om het volgende: Is het zo dat wanneer we een regel volgen, we altijd van te voren een mentale voorstelling hebben wat we moeten doen? En hoe gedetailleerd is zo'n voorstelling dan?

Is fietsen niet op een bepaald moment een automatisme, zodat we ervan uit kunnen gaan dat we dat niet meer hoeven te beschrijven.

Ja natuurlijk is dat een automatisme, reageren we. In het alledaagse leven gaan we ervan uit dat voor ons allen vele dingen automatismen worden. Je kunt toch moeilijk bij alles stil blijven staan.

Maar als dat zo is, dan kan Wittgenstein gelijk hebben als hij stelt dat vele zaken die wij 'het volgen van een regel' noemen in werkelijkheid niet anders dan gewoonten zijn: iemand richt zich op een wegwijzer voor zover een vast gebruik, een gewoonte bestaat.
 

199. Dus het volgen van een regel kan niet door een persoon een keer gedaan worden.

Ook bij het begrijpen van een zin, voor zover het het volgen van de regels van de grammatika behelst, betekent dat we met het gebruik vertrouwd zijn. Er is geen incidente­le, individuele zin. Het begrijpen van een zin betekent het begrijpen van een taal. En het begrijpen van een taal is het beheersen van een techniek.
 

200. Iedere handeling kan met een regel in overeenstemming gebracht worden. Ja iedere uitdrukking, d.w.z. de vertaling van een handeling. Van vertalingen van handelingen kunnen we laten zien dat de een tegenstrijdig is met de regel en de ander niet.
 

201. Het volgen van een regel is echter een praktijk.
 

202.....
 

203.....
 

204. Praktijken veronderstellen al iets (een levensvorm) Een spel kan niet bedacht worden als het spelen (de praktijk) onbekend is.
 

205. Mensen kunnen in principe een partij schaak spelen zonder het zich bewust te zijn.

Maar schaken kun je toch alleen dan doen als je de regels kent?

Iemand zegt: 'laten we schaak spelen.' Heeft hij dan de regels in zijn hoofd?
 

206. Een regel volgen is hetzelfde als een bevel volgen. Of iemand een bevel of een regel volgt is alleen uit te maken tegen de achtergrond van een referentiekader.

Nu zullen we zeggen: dat is geen schokkend inzicht. Natuurlijk speelt het referentiekader een rol. Maar de strekking gaat wel verder. Want als we afspraken in de agenda schrijven en van plan zijn ons aan die afspraken te houden, dan volgen we een regel. Maar als we tellen 1,2,3,4,5,6,..... dan volgen we eveneens een regel.

Nee, dan sommen we getallen op.... Maar getallen zijn geen dingen die er zijn. Kijk maar naar hoe de getallen gedefinieerd worden. Niet aanwijzend, 'dat is twee', wijzend naar twee dingen. De definitie werkt met het begrip 'opvolger', maar dit is typisch een begrip dat het volgen van een regel inhoudt. Van de een op de ander komen.

Alleen hoe gaat dat in zijn werk, van de een op de ander komen? Dat staat niet in de definitie.

207. Taal veronderstelt een regelmaat.

[...]
 

211. Hoe weet iemand dat een reeks bij .... zelfstandig verder gezet moet worden. Hoe weten we het zelf?

[...]
 

214. Is er intuitie nodig om de reeks 1,2,3,4,... voort te zetten? Dan ook voor de reeks 2,2,2,2, en wel evenveel.
 

215. Is gelijk niet gelijk. Gelijkheid zien is eveneens het volgen van een regel, dus eveneens een praktijk.
 

216. 'Een ding is identiek met zichzelf'. Een logische uitspraak. Maar volkomen nutteloos.
 

217. Zijn er redenen om een regel te volgen? Wel als ik door de redenen heen ben, dan kan ik niet anders zeggen dan: 'zo handel ik nu eenmaal!'

[...]
 

223. Je voelt niet dat je bedacht moet zijn op wat de regel je zegt. Laat staan dat de regel de uitzondering maakt!
 

224. Het woord regel en overeenstemming zijn verwant.

[...]
 

228. We weten hoe de reeks 1,3,5,7,9 voortgezet wordt. Kennelijk gaat het om de oneven getallen. Hetzelfde geldt voor 0,1,4,9,16 de kwadraten van de natuurlijke getallenreeks.

We zien hoe het verder gaat. Dat we zien hoe het verder gaat is niet iets wat we zien in het gedeelte van de reeks dat opgeschreven is, het is een uitdrukking voor het feit dat we luisteren naar wat de regel ons zegt en daarnaar handelen.

[...]
 

232. Wat is het verschil tussen het volgen van een regel en het volgen van inspiratie.

Bij inspiratie wacht ik op de aanwijzing: ik laat mij leiden. De techniek om een door inspiratie ingegeven lijn te volgen kan ik iemand niet leren. Wel kan een ontvankelijkheid aangeleerd worden.
 

233. We zouden ook door inspiratie kunnen rekenen. Rekenen zou dan op componeren lijken.

[...]
 

235.Uit dit alles blijkt slechts wat allemaal hoort bij 'het volgen van een regel'.

 

Het gedeelte uit de filosofische onderzoekingen vanaf §244 behandelt de vraag of waar­nemingen privé zijn.PRIVATE

Eerst de tekst:

 

244.

In deze § wordt de openingsvraag gesteld: hoe heben woor­den betrekking op gewaar­wor­dingen?

Als we beden­ken dat W. zelf nog in de Tractatus aangeno­men had dat woor­den di­rect naar dingen in de werkelijk­heid ver­wijzen, dan blijkt uit deze vraag hoezeer W. worstel­de met de betekenis van zijn eigen theorieën.

Immers, als de theorie uit de Tractatus klopt, dan moeten gewaarwordingen een soort dingen zijn waarnaar verwezen kan worden door middel van taal­uitdrukkingen.

In dit tekstgedeelte §244 ev. gaat W. na in hoeverre deze voorstelling van zaken klopt, en doet hij een voorstel voor een andere benaderingswijze.

 

Een manier om de vraag te beantwoorden hoe woorden betrekking kunnen hebben op gewaarwordingen is na te gaan hoe we de woorden voor de gewaar­wordingen leren.

(Denk aan het voorbeeld uit de taal van § 1, 'plaat', enz.)

 

Dus: er is een gewaarwording van pijn. Met de gewaarwording wordt een woord ver­bonden. Dit woord nu staat voor pijn, zoals het woord 'plaat' staat voor een plaat, die in de bouw gebruikt kan worden.

 

Een kind dat zich bezeerd heeft en huilt kan nu het woord pijn geleerd wor­den.

In plaats van te huilen leren we het kind zeggen: 'Ik heb pijn!'.

Leert het kind nu het woord pijn? Nee, het leert een ander pijngedrag aan, d.w.z. een andere manier om pijn te uiten.

Als het niet gaat om een ander pijngedrag, dan zouden we moeten concluderen dat het woord pijn betekent het huilen waar het voor in de plaats is gekomen.

 

De conclusie lijkt te zijn: we kunnen gewaarwordingen als pijn niet op de traditionele manier bekijken. Het benoemen van gewaarwordingen gaat anders in zijn werk dan het benoemen van bijvoorbeeld stoffelijke dingen.

 

(Overigens betekent dit ook een probleem voor de Empiristen: zij menen alles te kun­nen beschrijven in termen van sense-data: een soort mentale fenomenen die dezelfde status en inhoud hebben als gewaarwordingen).

 

245.

Huilen is een uiting van pijn. Als we een woord willen vinden voor pijn, dan moeten we met de taal tussen de uiting en de gewaarwording in gaan zitten.

 

246.

Maar eerst wordt er een andere vraag opgeworpen: zijn gewaarwordingen eigenlijk wel privébezit?

Met andere woorden: de gewaarwording van pijn die ik heb, is een gewaar­wording die geheel eigen is aan mijn bewustzijn op dat moment.

Denk aan de suggestie die van het cogito van Descartes uitgaat: het bewust­zijn is voor zichzelf geheel open en helder. De gewaarwordingen in het be­wustzijn zijn voor het bewustzijn onmiddelijk toegankelijk en zijn ook pre­sent voor dat éne bewustzijn.

 

Stel dat we de vraag: 'Zijn gewaarwordingen privé?' beantwoorden met:

Alleen ik kan weten of ik werkelijk pijn heb, een ander kan het slechts ver­moeden.

 

Dit antwoord is op twee manieren fout: ten eerste is het onzin om te zeggen dat ik weet dat ik pijn heb, als ik pijn heb. Ten tweede kan iedereen aan mij zien dat ik pijn heb.

Ik kan niet te weten komen dat ik pijn heb, ik heb pijn.

 

Het zit zo:  het heeft zin van anderen te zegggen dat ze twijfelen of ik pijn heb; maar niet van mezelf.

 

[....]   250.

Een hond kun je leren te janken alsof hij pijn heeft. Maar voor het eigenlijke veinzen van pijn ontbreekt de juiste omgeving.

 

[....] 253.

'Een ander kan niet mijn pijn hebben'.

Welke pijn is de mijne?

Wat geldt hier als een kriterium van identiteit?

In zoverre het zin heeft te zeggen dat mijn pijn dezelfde is als de zijne, in zoverre kunnen we ook dezelfde pijn hebben.

 

[...] 256.

De taal die innerlijke gewaarwordingen beschrijft en die ik alleen zelf kan begrijpen. Hoe duiden daar de woorden de gewaarwordingen aan? Dan asso­cieer ik namen met de gewaarwordingen en gebruik deze namen in een be­schrijving.

 

257.

In de taal is er al veel voorbereid, zodat het geven van een naam zin heeft. Het proces van naamgeving is al voorbereid. We weten hoe we met namen om moeten gaan. Dus we kunnen betekenis verlenen aan de zin: 'hij heeft een gewaarwording een naam gegeven en duidt in het vervolg de gewaarwording met die naam aan'.

 

258.

Stel ik wil het voorkomen van een bepaalde gewaarwording registreren.

Ik associeer de gewaarwording met het teken 'G'. (Denk aan wat in 256 gezegd is).

Van het teken 'G' kan geen definitie worden gegeven.

Een aanwijzende definitie? Dan moet ik mezelf de gewaarwording aanwijzen. Hoe wijs ik mezelf de gewaarwording aan? Door me te concentreren op de gewaarwording!

Dit is een vorm van innerlijk wijzen naar de gewaarwording. Maar waarom deze cere­monie. Een definitie is bedoeld om de betekenis van een teken vast te leggen.

In het geval van de gewaarwordingen beschikten we niet eens over een kri­terium van identiteit. We kunnen dus niet uit maken of de gewaarwording van vandaag dezelfde is als die van gisteren.

 

[....] 261.

Is 'G' een uitdrukking van een gewaarwording? Mar gewaarwording is al een term uit de algemene taal. Hoe kan ik mededelen aan anderen dat ik iets heb dat alleen privé toe­gankelijk is.

Mijn voorbeeld zou zijn: dieren hebben een privé wereld! Daar weten wij dus ook niets vanaf.

Of als we iets van het dier willen weten, wat er in hem privé omgaat, dan moeten we een middel vinden om te communiceren met het dier. Maar als we communiceren dan is het niet privé meer, maar onderdeel van een systeem dat voor ons allen toeganjelijk is.

 

[....] 264.

Wanneer je eenmaal weet wat  het woord aanduidt, begrijp je het, ken je alle toepassin­gen van dat woord.

 

[....] 269.

Laten we niet vergeten dat er bepaalde gedragscriteria zijn voor het be­grijpen en niet begrijpen van een woord.

 

[..] 272.

Het wezenlijke aan een privé beleving is niet dat ieder een eigen exemplaar bezit, maar dat niet geverifieerd kan worden of iemand anders dezelfde beleving heeft als ik.

 

[....] 280.

Een schets voor een decor uit een toneelstuk. Is zo'n schets twee dingen tegelijk: een voorstelling voor de een en voor de maker daarnaast nog een weergave van zijn voor­stelling van het decor?

 

281.

De conclusie is: je kunt alleen van een levend mens, of wat daarop lijkt, zeg­gen dat het gewaarwordingen heeft; ziet; blind is;  enz.

 

[...] 283.

Alleen van hetgeen zich gedraagt als een mens kun je zeggen dat het pijn heeft.

Want je moet het van een lichaam zeggen, of van een ziel die een lichaam heeft. En hoe kan een lichaam een ziel hebben.

 

284.

Aan een ding schrijven we geen gewaarwordingen toe. Je zou het evengoed een getal kunnen toeschrijven.

Kijk naar een bewegende vlieg. Het lijkt alsof de pijn houvast heeft gevon­den. We schrijven aan de vlieg gewaarwordingen toe.

Onze houding ten opzichte van wat leeft is een andere dan ten opzichte van alles wat dood is. Al onze reacties zijn verschillend.

--> Het veschil zit 'm dus niet in het verschil in kennis over de dode en de levende natuur.

 

[...] 286.

Evengoed is het eigenlijk vreemd om van een lichaam te zeggen dat het pijn heeft. Iemand heeft pijn, en met hem hebben we medelijden.

 

[..] 288.

Ik kan me niet vergissen of ik pijn heb. Die uitdrukking van twijfel hoort niet bij het taalspel.

Wanneer de uitfrukking van het menselijk gedrag buiten beschouwing wordt gelaten, dan lijkt het alsof ik weer mag twijfelen.

Wanneer het taalspel buiten beschouwing wordt gelaten, dan is er een crite­rium van identiteit nodig voor gewaarwordingen. Er bestaat dan ook de mogelijkheid voor vergissingen.

 

[...] 290.

Ik identificeer mijn gewaarwordingen niet aan de hand van criteria, maar ik gebruik dezelfde uitdrukking. (Dus de uitdrukking van een gewaarwording is niet de naam voor de gewaarwording).

Hier begint het taalspel!!!

 

291.

Wat wij beschrijvingen noemen zijn instrumenten voor bijzonder gebruik.

 

[..] 293.

(Dus de uitdrukking van een gewaarwording is niet de naam voor de gewaar­wording): Een uitdrukking voor pijn in het woord 'pijn', is niet hetzelfde als de uitdrukking voor het ding boom in het woord 'boom'.

Want deze gewaarwording kennen we alleen uit eigen ervaring: ik weet wat pijn is omdat ik het zelf voel! Maar als pijn een ding is, dat we alleen intro­spectief kunnen kennen, dan valt het als  ding uit de vergelijking weg.

 

[..] 295.

Wat voor type uitdrukking is: 'Ik weet uit eigen ervaring....'?

Een ervaringszin?

 

296.

Ja maar er is toch een iets dat mijn uitroep van pijn begeleidt?

 

297.

Is er iets omdat we graag willen dat er iets is? Wellicht is alleen de filosoof erop gebrand om te zeggen dat er iets is.

 

[..] 300.

Een tegenwerping zou zijn: bij het taalspel met de woorden hij heeft pijn, hoort niet alleen het beeld van het gedrag, maar ook een beeld van pijn.

Maar er is geen beeld van pijn. Er is in zekere zin wel sprake van een voor­stelling, maar niet van een beeld.

 

301.

Met een voorstelling kan een beeld corresponderen, maar dat hoeft niet.

 

[..] 304.

De paradoxen rondom gewaarwordingen verdwijnen slecht wanneer we radicaal breken met de idee, dat de taal altijd op één manier functioneert, altijd hetzelfde doel dient: gedachten overdragen - of die gedachten nu gaan over huizen, pijn, goed, en kwaad, of wat dan ook.

 

[..] 307.

Ben je eigenlijk toch niet een verkapte behaviorist? Zeg je eigenlijk niet dal alles fictie is, behalve het menselijk gedrag? Als ik over een fictie spreek, dan alleen over een grammaticale. (N.l. dat de taal ons dwingt gewaarwordin­gen dingen te noemen).

 

308.

Hoe komen we aan het probleem rond mentale processen? Er zijn mentale pro­cessen we kunnen alleen moeilijk achter de ware aard van die processen ko­men.

Het probleem zit in de eerste stap: veronderstellen dat er mentale processen zijn, zonder iets over hun aard te weten.

Ervan uitgaan dat er mentale processen zijn legt ons op een bepaalde ziens­wijze vast.

We hebben een idee wat dat wil zeggen: een proces nader leren kennen, (maar we weten natuurlijk niet wat het inhoudt in dit geval).

 

[....]


[

571.

Misleidende parallel: psychologie gaat over processen in de psychische sfeer, zoals natuurkunde over processen in de fysische sfeer.

 

 

COMMENTAAR

Wat Wittgenstein niet bij de bespreking betrekt is de notie van een algoritme. We hebben bij Turing gezien dat het algoritme juist de kern vormde van de zgn. Turing-machine. Wat wij kunnen berekenen kan ook door een machine gedaan worden. De machine volgt een algoritme en het algoritme is de uitdrukking van de 'regel' die we volgen bij het uitrekenen van een resultaat.

Dit neemt niet weg dat er vragen over blijven: in dezelfde gavallen hanteer je hetzelfde algoritme. Maar hoe herken je hetzelfde in verschillende gevallen en hoe bepaal je of algoritmen hetzelfde doen.

Het verschil tussen Turing en Wittgenstein is dat Turing Wittgenstein niet wilde volgen in deze exercities.

 

 

404 enz.

 

Als contrast is te gebruiken: J.P. Sartre: Het ik is een ding. Hierin wordt over een 'ik' gesproken, dat in het bewustzijn woont, daarin aangetroffen wordt en zich onderscheid van andere ikken, omdat alles wat bij het ik hoort als van mij aangemerkt kan worden, tegenover datgene wat tot het ik van J.P. behoort en als van J.P. benoemt kan worden.

Het gaat om een feitelijk bestaand ik, waarvan klaarblijkelijk ook de identiteit vastgesteld kan worden.

 

404.

Wanneer we 'ik' gebruiken in een zin, dan is er de suggestie dat we over 'iemand' spreken. Maar 'ik' is geen iemand (en ook geen iets).

Spreken over een ik of een iemand veronderstelt dat we de identiteit ervan vast kunnen stellen: dus dat er criteria zijn om dit te kunnen.

Wittgenstein beweert nu niet dat er geen criteria zijn, maar dat er vele criteria zijn om de identiteit van iets vast te stellen.

Geen van de criteria bepaalt echter dat ik zeg: 'ik' heb pijn.

Als ik zeg ik heb pijn, dan wil ik daarmee niet getuigen van het feit dat ik een 'ik' heb. Ik wil laten weten dat ik pijn heb. Dat is de manier waarop het gebruikt wordt.

 

410.

'Ik' benoemt geen persoon, 'hier' geen plaats, 'dit' is geen naam. (Vergelijk Russell met de logische eigennamen, besproken aan het begin van de serie.)

Deze woorden worden wel aangewend bij het verklaren van het gebruik van een naam.

'Dat is Jan'.

 

412.

De notie van taalspelen gaat ervan uit dat we de spelen gewoon spelen. Wanneer we dammen dan volgen we de regels van het damspel. Als we met iemand spelen die de regels niet kent dan zullen we ze uitleggen, maar als we spelen dan is dat alleen omdat we de regels volgen.

Zo verklaren we het ook: bij dammen schuiven we met witte en zwarte stenen over een bord van 10 x 10. wit en zwart doen om de beurt een zet......

 

Hetzelfde verschil tussen doen en reflectie is er bij denken of tussen bewustzijn en hersenproces.

Je kunt zeggen het bewustzijn is het gevolg van een hersenpro­ces, en je dan verbazen over de overgang van het een naar het ander en zeggen hoe is zoiets nou mogelijk!

Maar het is net als bij het dammen: hoe is het mogelijk dat we dammen als we die en die zetten doen op het bord.

 

416.

OP de vraag wat doen jullie? antwoorden we 'we dammen' als we het damspel spelen.

Zo is het ook met het bewustzijn:

Hoe is het met je? Ik kom bij bewustzijn (ik was op mijn hoofd geslagen en buiten bewustzijn geraakt.)

Het heeft geen zin te zeggen 'ik heb een bewustzijn'.

 

421.

Beschouw de zin als een instrument (de handels in een locomo­tief uit het begin) en zijn betekenis als zijn gebruik.

 

428.

We verbazen ons over een gedachte wanneer we retrospectief op terugkijken: Hoe kon je op die gedachte komen? (Waar komt die gedachte vandaan?)

Hoe was het mogelijk dat de gedachte over het voorwerp zelf ging.

 

429.

relatie gedachte en werkelijkheid: wanneer ik ten onrechte zeg dat iets rood is, dan is het daardoor nog geen rood.

Rood in de zin 'Dat is niet rood' verklaar ik door te verwij­zen naar iets roods.

 

De volgende paragrafen zijn uitweidingen over de beginzin van 431:

'Tussen bevel en uitvoering bestaat een kloof. Zij moet door het begrijpen overbrugd worden.'

 

Wittgenstein ontkent het bestaan van een dergelijke kloof: bevel en uitvoering behoren tot één taalspel.

Want: wat moet er begrepen worden, wanneer we een bevel be­grijpen. Ligt wat van ons verwacht wordt in het bevel opgeslo­ten?

 

Hetzelfde doet zich voor bij: 'Deze zin geeft iets weer'. Dat wat het weergeeft, zit dat al in de zin verborgen?

Bevat een verwachting dat wat verwacht wordt?

 

458.

'Het bevel beveelt zijn opvolging.' Dit is een grammaticale zin en die zegt: Wanneer een bevel luidt 'Doe dat en dat!', noem je 'dat en dat doen' het opvolgen van een bevel.

Het beschrijft een taalspel.

 

466.

Waarom denkt de mens? Wat heeft het voor nut?

Soms denkt men omdat het nuttig is gebleken.

 

491.

Niet: 'zonder taal zouden we niet met elkaar kunnen communice­ren' - maar wel: zonder taal kunnen we mensen niet zo en zo beďnvloeden. Ook: Zonder het gebruik van spraak en schrift zouden mensen niet kunnen communiceren.

 

494.

Ik wil zeggen: dat wat wij 'taal' noemen is in de eerste plaats het apparaat van onze gewone taal, onze woordentaal; en dan pas andere zaken op grond van analogie of vergelijkbaar­heid daarmee.

 

 

Terug

 


© Hypothesis 

Hypothesis is een initiatief van:
Baptist Vermeulen,
St-Jobskade 816, 3024 EN Rotterdam

Nederland
telefoon +31(0)6 1138 1089