Aristoteles / Ethica Nicomachea
 
 

© Hypothesis, Rotterdam

les 1    les 2    les 3    les 4    les 5    les 6    les 7    les 8    les 9    les 10    les 11    les 12

Programma

Tijdens de cursus wordt van Aristoteles de Ethica Nicomachea gelezen:

Aristoteles, Ethica Nicomachea, vertaald door C. Hupperts en B. Poortman, 2005, Damon, Budel. ISBN 90 5573 565 5

les 1 

Inleiding

(uit de cursusfolder:)
Vorig jaar hebben Nederlandse hoogleraren filosofie de Ethica Nicomachea van Aristoteles op de eerste plaats gezet van beste filosofische teksten aller tijden.

Een goede reden om aandacht te besteden aan dit boek over ethiek, dat onlangs  een nieuwe vertaling kreeg, verzorgd door Charles Hupperts en Bartel Poortman.

Het werk van Aristoteles heeft een geweldige invloed gehad op het filosofisch en wetenschappelijk denken. Aanvankelijk liep die invloed via filosofen die zijn werk in Arabische vertalingen lazen, daarna, in de Middeleeuwen in de nieuw opgerichte universiteiten, via Latijnse vertalingen en ten slotte in het oorspronkelijk Grieks of vertalingen in een van de moderne talen. In Angelsaksische landen is de Ethica verplichte literatuur voor bijna iedere student. In Nederland is het werk van Aristoteles wat minder bekend.
Waar Plato een aantal waarden en normen als ideaal aan de mens tot doel stelt, is Aristoteles ethiek gebaseerd op de maatschappij waarin hij leefde. Hij observeert en analyseert het handelen van de mensen in de tijd waarin hij leefde. Hij formuleert naar aanleiding van die waarnemingen opvattingen over deugd, geluk en vriendschap.

De hoofdvraag is: hoe wordt een mens gelukkig. Het antwoord zal luiden: dat je wordt wie je bent. Anders gezegd, dat ieder zijn natuurlijke aanleg tot ontwikkeling, tot ontplooiing brengt. In deze opvatting ligt ook de verbinding naar de moderne tijd: het Humanisme van de Renaissance heeft de idee van de vrije ontwikkeling van de natuurlijke vermogens als opdracht aan de mens gegeven. In die vrije ontwikkeling van de natuurlijke vermogens is de morele bestemming van de mens gelegen.

In de cursus zal de tekst van Aristoteles Ethica Nicomachea gelezen worden. Ook zal een verband gelegd worden met de huidige ontwikkelingen in de samenleving, waarin vragen rond vrijheid en verantwoordelijkheid, geluk, deugd, terroristische bedreigingen en nationale eenheid versus culturele diversiteit centraal staan. De vraag of wij de manier van kijken van Aristoteles kunnen inzetten voor een beter begrip van deze ontwikkelingen zal daarbij leidend zijn.

Inleiding tot Aristoteles

Zie o.a. het artikel in de Wikipedia encyclopedie op internet: http://nl.wikipedia.org/wiki/Aristoteles

Uit het artikel komt de volgende beschrijving van de belangrijkste leerstukken van Aristoteles.

  • Kosmologie / ontologie: het "hylemorfisme"
    • elk individueel ervaarbaar ding is een combinatie van:
      • een stof, materie (hylŤ)
      • een vorm (morphŤ); deze heeft gťťn afzonderlijk bestaan, als buitenwereldse werkelijkheid (zoals Plato dat zag in zijn IdeeŽnleer), maar is enkel reŽel voor zover hij gerealiseerd is in het concrete ding. In Aristoteles' visie zijn alle dingen met het verstand te begrijpen. Hiermee sluit hij aan bij Socrates gedachte over het kennen van algemeen geldende waarheid aangaande goedheid en deugd.
    • Het meest algemene kenmerk van alle dingen is het Zijn, maar dat kan zeer uiteenlopende betekenissen aannemen:
      • zijn volgens ťťn van deze tien categorieŽn:
        1. substantie: vb. Pieter Janssen is een mens
        2. kwantiteit: vb. P.J. is 76 kg zwaar
        3. kwaliteit: vb. P.J. is leraar Wiskunde
        4. relatie: vb. P.J. is jonger dan zijn broer Wim
        5. plaats: vb. P.J. is in Brussel
        6. tijd: vb. P.J. leeft in de 21e eeuw (hij is … levend)
        7. positie: vb. P.J. staat recht (hij is … staand)
        8. conditie: vb. P.J. is poedelnaakt
        9. handeling: vb. P.J. schrijft
        10. ondergŠŠn: vb. P.J. wordt / is geÔnspireerd
      • zijn als actueel of potentieel (vb.: een jongen van twaalf is actueel een scholier, en potentieel een profvoetballer, of een advocaat, of een gangster …; een eik is actueel een boom, en potentieel een tafel of een stoel …)
      • zijn als waar of onwaar (vb.: het is mooi … = niet lelijk)
      • zijn als substantieel / wezenlijk (vb.: mensen zijn sterfelijk …) of incidenteel (vb.: ik ben doodmoe …)
    • verandering en beweging (het worden) is een overgaan van potentie (Grieks dynamis, d.i. het vermogen om te veranderen) naar act (Grieks entelecheia, d.i. een bepaalde graad van volmaaktheid), door een (inwendige of uitwendige) oorzaak
      • bij elke verandering / beweging kan men zich vier vragen stellen:
        1. Wat is er veranderd?
        2. Wie/wat heeft de verandering teweeggebracht?
        3. Met welk resultaat?
        4. Met welk doel?
      • om deze vier vragen te beantwoorden geeft Aristoteles resp. vier "oorzaken":
        1. een materiŽle oorzaak (causa materialis)
        2. een bewegende oorzaak (causa efficiens)
        3. een formele oorzaak (causa formalis)
        4. een finale oorzaak (causa finalis)
      • aan de hand van een praktisch voorbeeld: een beeldhouwer maakt een bronzen beeld van koningin Juliana:
        1. materiŽle oorzaak = het brons
        2. bewegende oorzaak = de beeldhouwer
        3. formele oorzaak = het afgewerkte beeld
        4. finale oorzaak = blijvende herinnering aan de overleden vorstin
    • "God" = zuivere act, zonder stof of potentie, "de eerste onbewogen beweger", uiteindelijke oorzaak van alle zijn en van alle worden
    • de mens maakt deel uit van de kosmos, die steeds naar grotere volmaaktheid evolueert (d.i. "op God gericht" / teleologie)
       
  • Psychologie / Epistemologie (of kennisleer):
    • categorieke verwerping van Plato's dualisme: de ziel maakt onverbrekelijk deel uit van de lichamelijkheid, maar ze bezit wel een onstoffelijk kenvermogen (Zo leven de ideeŽn van Aristoteles nu ook nog)
    • het verstand vormt, door abstractie, de begrippen en categorieŽn, langs de zintuiglijke kennis om. Aristoteles ging ervan uit dat het oog de dingen ziet zoals zij zijn, dat het gehoor de werkelijke geluiden hoort, enz., en dat een theorie gebaseerd můťt zijn op de zintuiglijk waarneembare en aantoonbare (empirische) werkelijkheid. Onze waarnemingen van het specifieke, afzonderlijke zijn op zichzelf waar, en zij geven ons een afbeelding van de werkelijkheid; fouten ontstaan enkel doordat die waarnemingen verkeerd verbonden worden.
    • er zijn drie soorten “zielen”:
      1. vegetatieve ziel: gericht op voeding, groei en voortplanting (alle levensvormen)
      2. animale ziel: zintuigen, begeerten ("zin hebben"), beweging (dieren en mens)
      3. redelijke ziel: bezit potentieel het vermogen om het goede te kennen, maar doet actueel wat hij doet.
    • Evenals Plato heeft ook Aristoteles de sofisten bestreden, maar hij deed dat door een systematisch overzicht te geven van de oorzaken van hun valse redeneringen. Zodoende ontwierp hij de formele logica (wetmatigheid van het denkproces: syllogisme / oorzaak en gevolg ...)
      Een voorbeeld van een syllogisme:
      Major: Alle mensen zijn sterfelijk
      minor: Socrates is een mens.
      Conclusie: Socrates is sterfelijk.
       
  • Socio-politieke opvattingen:
    • de mens is van nature een sociaal wezen (Grieks zoŲn politikon), en kan alleen in een polis-gemeenschap zijn volmaaktheid vinden
    • er is gťťn "ideale" staat: de "beste staatsvorm" verschilt naargelang de concrete, lokale omstandigheden, als hij maar het welzijn van Šl zijn onderdanen nastreeft

     

Aanvullend materiaal over Aristoteles uit: Ferd. Sassen: Geschiedenis van de wijsbegeerte der Grieken en Romijnen. December 1974. (de kopieŽn worden tijdens de bijeenkomst uitgedeeld).

 

Inleiding tot de ethiek

Ethiek is het onderdeel van de filosofie dat zich richt op het handelen van de mens. Het beperkt zich tot het sociaal handelen, dat wil zeggen het handelen in samenlevingsverband.
Ethiek beperkt zich daarin tot het het beoordelen van handelingsmotieven.

Dit vraagt een uitleg:

De sociologie als wetenschap beschrijft het handelen van mensen in groepen.

De psychologie beschrijft het handelen (of het gedrag) van mensen vanuit de persoonlijke drijfveren die in de menselijke psyche gelegen zijn.

 

Indeling van de psychologie

  • Arbeids- en organisatiepsychologie

  • Biologische psychologie

  • Culturele psychologie

  • DifferentiŽle psychologie

  • Experimentele psychologie

  • Functieleer

  • Klinische psychologie

  • Leerpsychologie

  • Neuropsychologie

  • Ontwikkelingspsychologie

  • Persoonlijkheidsleer

  • Sociale psychologie

Bron: http://nl.wikipedia.org/wiki/Psychologie

De culturele antropologie beschrijft het handelen van mensen voor zover dit door culturele verbanden (die van gezin, groep, gemeenschap, stam of volk) bepaald wordt.

De ethiek echter beschrijft het handelen vanuit het perspectief van de doelen die mens zelf stelt. De vraag die bij de ethiek voorop staat is: hoe kunnen we een goed leven leiden?

De verschillende opvattingen binnen de ethiek geven antwoord op die vraag: hoe kan ik als mens een goed leven leiden? (= het goede doen)

Antwoorden op deze vraag hebben in het algemeen de vorm: 'Om het goede te doen behoor je ...' Anderzijds geven deze antwoorden opgevat als ethische theorie een handvat om morele oordelen te vellen: 'Wat je deed was onjuist...'

De vorm van deze oordelen wordt aangeduid als normatief. We spreken dus in de ethiek over normatieve oordelen.

Een overzicht van normatieve oordelen:

I.   Ethical or moral judgments proper:

A. Judgments of moral obligation (deontic judgments) :

1. Particular, e.g. (assuming terms are used in their moral senses),

a. I ought not to escape from prison now.
b. You should become a missionary.
c.  What he did was wrong.

2. General, e.g.,

a. We ought to keep our agreements.
b. Love is the fulfillment of the moral law.
c. All men have a right to freedom.

B.   Judgments of moral value (aretaic judgments) :

1.  Particular, e.g.,

a. My grandfather was a good man.
b. Xavier was a saint. 
c. He is responsible for what he did.
d. You deserve to be punished.
e. Her character is admirable.
f.   His motive was good. 
 

2. General, e.g., 

a. Benevolence is a virtue.
b. Jealousy is an ignoble motive.
c. The man who can forgive such carelessness is a saint
d. The good man does not cheat or steal.

II. Nonmoral normative judgments:

A. Judgments of nonmoral value:

1. Particular, e.g., 
a. That is a good car.
b. Miniver Cheevy did not have a very good life.

2. General, e.g.,
a. Pleasure is good in itself.
b. Democracy is the best forrn of government

B. Judgments of nonmoral obligation:

1. Particular, e.g.,
a. You ought to buy a new suit.  
b. You just have to go to that concert.

2. General, e.g.
a. In building a bookcase one should use nails, not Scotch tape.
b. The right thing to do on fourth down with thirteen yards to go is to punt.

 

Ethische theorieŽn

De verschillen tussen ethische theorieŽn ontstaan uiteraard uit het feit dat wat goed is verschillend uitgelegd kan worden. Want wat is een goed leven: een leven als rijke, als vrijgevige, als dienaar, als heerser, enz.?

Drie algemene problemen in de ethiek:

Hoe komen we aan antwoorden op de vraag over het goede leven:
door inzicht, door ervaring, door wetenschap (kennis van de natuur=aard van de mens)

Het antwoord op de vraag naar het goede leven, hoe moet dat antwoord geÔnterpreteerd worden:
is het een aanbeveling, een richtsnoer, een gebod?

Hoe kan ik anderen overtuigen van de juiste ethische opvattingen/anderen aanzetten moreel juist te handelen:
opvoeden, argumenteren, dwingen?

De algemene vraagstellingen in de ethiek hebben in hun verschillende combinaties tot de volgende soorten opvattingen geleid:

Teleologiesche ethiek

Deontologische ethiek

Ethisch egoÔsme

Utilitarisme

Immanuel Kant's ethiek: de Maximes

 

Een bijzondere plaats neemt de Meta-ethiek in: het onderzoek naar de rechtvaardiging van de ethiek.

 

Aanvullend materiaal: De Rotterdamse gedragscode

 

les 2
 

Ethica, blz. 17 - 53

Inleiding Aristoteles

Biografie: zie http://nl.wikipedia.org/wiki/Aristoteles

Leer:

Aristoteles onderscheidt verschillende wetenschappen of 'vormen van kennis in de ruimste zin van het woord'.

Productieve wetenschappen:
  PoŽtica, retorica

praktische wetenschappen:
  Ethica, Politica

theoretische wetenschappen:
  fysica, meteorologie, mathematica, theologie (de kennis van het zijnde qua zijnde).

Aristoteles gebruikt episteme en techne als begrippen. De eerste voor de meer theoretische wetenschappen, de tweede voor de politiek en ethiek, de 'doe' of 'maak' -vakken.

Wetenschap wil beweringen doen over een verschijnsel als soort, niet als particulare (individueel ding).

Het syllogisme:

Centraal staat het syllogisme: de logische redeneervorm waarin geldige redeneringen in uitgedrukt worden.

Een beroemd voorbeeld van een syllogisme uit het werk van Aristoteles is: 'Alle mensen zijn sterfelijk'; Socrates is een mens'; 'derhalve is Socrates sterfelijk'.
Een redenering, dus ook een syllogisme, bestaat uit een aantal elementen: de premissen en de conclusie. De premissen zijn de beweringen van waaruit vertrokken wordt. Uit de premissen moet de conclusie volgen. Een conclusie is uiteraard zelf weer een bewering. Een ander woord voor premisse dat in de filosofie veel gebruikt wordt is propositie. Een propositie is een bewering die in een beweerzin uitgedrukt kan worden. In het voorbeeld van zojuist zijn 'Alle mensen zijn sterfelijk', Socrates is een mens'; ‘Socrates is sterfelijk' de proposities.

'Alle mensen zijn sterfelijk' en ‘Socrates is een mens' zijn de premissen en ‘Socrates is sterfelijk' is de conclusie.

 

Er is een verschil tussen de proposities 'Mijn tantes pen ligt op de tafel' en 'Alle vogels hebben een snavel'.

De uitspraak over de pen van tante is waar of onwaar, afhankelijk van de situatie in de werkelijkheid. Bij de uitspraak over de vogels moeten we meer weten. Vergelijk:

1. Alle wielrenners zijn dopinggebruikers.
2. Geen enkele sporter is dopingvrij.
3. Sommige tennissers zijn rijk.
4. Sommige grasmatten zijn niet bespeelbaar.

In dit soort uitspraken is steeds sprake van een subject en een predikaat, die verbonden worden door een koppelwerkwoord. Het subject is datgene waarvan iets beweerd wordt. Van het predikaat, het beweerde wordt gezegd dat (al dan niet) het toekomt aan het subject. 

 

De vier oordelen uit het voorbeeld, evenals alle andere proposities die opgebouwd zijn uit een subject en een predikaat, kunnen allemaal herleid worden tot ťťn van de vier vormen die hiervoor genoemd zijn. De vier vormen kunnen als volgt ingedeeld worden[1]:

 

PROPOSITIE

UNIVERSEEL

PARTICULIER

BEVESTIGEND

S a P (1)

Alle S zijn P

S i P (3)

Sommige S zijn P

ONTKENNEND

S e P (2)

Geen enkele S is P

S o P (4)

Sommige S zijn niet P

 

De vier voorbeelden kunnen aan de hand van het schema beschreven worden:

1. Alle wielrenners zijn dopinggebruikers is een universeel bevestigende uitspraak.

2. Geen enkele sporter is dopingvrij, is een universeel ontkennende uitspraak

3. Sommige tennissers zijn rijk is een particulier bevestigende uitspraak en

4. Sommige grasmatten zijn niet bespeelbaar is een particulier ontkennende uitspraak.

 

De volgende vraag is: welke redeneringen, opgebouwd uit deze proposities, zijn geldige redeneringen?
Bekijk het volgende voorbeeld: Alle mensen zijn sterfelijk, Socrates is een mens, dus Socrates is sterfelijk

vertaald naar het bovenstaande schema:

M a S  (Alle mensen zijn sterfelijk)
So i M (Socrates is een mens)
-------
So i S  (Socrates is sterfelijk)[2]

 

Met andere woorden: als een eigenschap aan alle leden van een groep toekomt, dan kunnen we met recht zeggen dat, wanneer we een individueel lid van de groep selecteren, aan dat lid de eigenschap zal toekomen. Het resultaat is triviaal, maar wel geldig!
Niet geldig is bijvoorbeeld:

Sommige mensen zijn rijk, Socrates is een mens dus Socrates is rijk

Bij een bewijs zijn de premissen onbetwijfelbaar waar. Een uitspraak als Een lijn heeft of geen of ťťn of twee snijpunten met een cirkel is waar omdat dit uit de definities van de lijn en de cirkel volgt.
Met dergelijke oordelen is een bewijs te leveren, bijvoorbeeld voor de stelling: vanuit een punt buiten de cirkel gaan precies twee raaklijnen aan de cirkel.

De vorm van de redenering is het syllogisme. Aristoteles heeft systematisch alle geldige redeneervormen van deze trant in kaart gebracht.

Kenmerkend voor het syllogisme is de middenterm. In de redenering 'Alle mensen zijn sterfelijk';  Socrates is een mens' dus ‘Socrates is sterfelijk' komt in de eerste twee premissen de term mens voor. Eerst wordt er in een algemene uitspraak iets over alle mensen gezegd, namelijk dat ze sterfelijk zijn, daarna wordt er van een bepaald individu gezegd dat het een mens is. Tot slot worden de termen Socrates en sterfelijk verbonden (de middenterm valt er tussenuit) tot een nieuwe bewering.


[1] De tabel moet als volgt worden gelezen: de a in S a P betekent: Alle .. zijn, de i in S i P betekent: Sommige .. zijn, de e in S e P betekent: Geen enkele … is … en de o in S o P betekent: Sommige …  zijn niet….

[2] De letters in het syllogisme zijn zo gekozen dat de eigenschap mens te zijn (M) in de eerste twee beweringen duidelijk herkenbaar is. S staat voor sterfelijk en So voor Socrates (sterfelijk en So beginnen beiden met een S dus alleen de S is onvoldoende om ze te onderscheiden. De M staat in een diagonaal in de eerste twee beweringen en de M ‘valt’ er tussenuit in de conclusie. Om deze reden wordt M de middenterm genoemd.

 

Een verdere bijzondere bijdrage van Aristoteles aan de filosofie vormen de categorieŽn:

Substantie
kwantiteit
kwaliteit-hoedanigheid
relatie
waar
wanneer
houding-positie
hoe is het eraan toe
wat doet het
wat ondergaat het

De categorie substantie verschilt van de andere omdat de andere substantie kunnen prediceren en omgekeerd niet.

Primaire en secundaire substantie

Materie, vorm, potentialiteit en actualiteit en de vier oorzaken:

Verandering is het proces waarin de aanwezige potentialiteit actualiteit wordt, waarin het ding wordt wat het is.

de vier oorzaken:

materiele oorzaak,
wat-oorzaak, de idee
bewegingsoorzaak,
doeloorzaak

Psychologie

De psyche is het bewegend beginsel bij de mens. Het beginsel dat een levend wezen doet uitgroeien tot wat het is; bij de mens tot wat een mens is.

 

les 3
 

Boek I van de Ethica Nicomachea

1. Doelgerichtheid van het menselijk handelen en de hiŽrarchie van de doelen

Alle kunst, alle kunde, ieder onderzoek en evenzo iedere handeling en ieder bewust streven is op een bepaald goed gericht: alles is dus op het goede gericht.

Als een activiteit tot een product leidt, gaat het om het product. De handeling is daarop gericht.

In het algemeen zijn doelen in een hiŽrarchie te rangschikken: om een brood te bakken moet graan verbouwd worden. Het verbouwen van het graan staat ten dienste van het brood dat gebakken moet worden. Het bakken van broden dient er toe het volk te voeden enz.

2. Het uiteindelijke doel van het menselijk handelen

Als er een uiteindelijk doel is, dan moet dit het hoogste goed zijn dat te bereiken valt. Dit wordt dan ook het goede genoemd.

Alle andere doelen staan ten dienste van (dragen bij aan) het bereiken van dit doel.

Kennis over dit uiteindelijke doel (het goede) maakt dat het leven beter te richten is op dit doel.

Het hoogste goed, het uiteindelijke doel valt onder de 'politieke' wetenschap, want de politieke wetenschap is de wetenschap waaraan alle andere ondergeschikt zijn. (Alle wetenschappen: krijgskunst, bouwkunst, enz. dragen bij aan het welzijn van de staat.)

3. De politieke wetenschap is geen exacte wetenschap

In ieder onderzoek moet bekeken worden welke precisie haalbaar is. Over de schoonheid van een kunstwerk kunnen wij geen uitspraken doen met wiskundige precisie.

4. Het hoogste goed is geluk

Wat is het allerhoogste goed dat door handelen gerealiseerd kan worden. Iedereen is het er wel over eens dat geluk het hoogst haalbare is.

Over de definitie van geluk lopen echter de meningen uiteen.

5. Drie levenswijzen

De massa stelt geluk gelijk aan genot.

De drie belangrijkste levenswijzen zijn:

de levenswijze van degenen die geluk aan genot gelijk stellen,

de politieke levenswijze en

de levenswijze van de filosofische beschouwing.

De politieke levenswijze is gericht op eer en goed functioneren.

Toch is dit niet het hoogste goed.

6. Het goede als universale

Is het goede een universeel begrip, op te vatten als een idee (Plato's Idee)?

Aristoteles beredeneert dat het goede dat bedoeld wordt geen universale is in deze zin: het goede wordt gebruikt in verschillende categorieŽn: de juiste hoeveelheid, iets dat nuttig is voor iets anders, enz. Was het goede een universale dan zou het eerder in ťťn categorie gebruikt worden.

7. Het uiteindelijke doel van het menselijk leven: geluk. Definitie van geluk

Wat altijd om zichzelf wordt gekozen en nooit om iets anders noemen we een einddoel zonder meer.

Geluk heeft meer dan wat dan ook het genoemde karakter: dat het om zichzelf nagestreefd wordt en niet als doel voor iets anders.

We komen misschien dichter bij een definitie van geluk als we de functie van de mens nader bekijken. De functie van de mens is een actief leven te leiden met de ratio als leidend beginsel. (Een rationeel leven leiden.)

De functie van de mens bestaat in een activiteit overeenkomstig een rationeel beginsel.

De functie goed uit te oefenen maakt iemand tot een goed mens. Het menselijk goed vindt zijn realiteit in een activiteit van de ziel waarbij zij optimaal functioneert in een volledig mensenleven.

De handelingen die iemand optimaal doen functioneren, zijn van dien aard dat zij aangenaam zijn voor diegenen die de handeling uitvoeren als aangenaam op zichzelf.

9. Hoe wordt geluk verworven

Geluk is gelegen in optimaal functioneren en wordt dus aangeleerd en getraind.

13. De ziel. de delen van de ziel en de vormen van optimaal functioneren

Er zijn twee zogenaamde lagere zieledelen die geen rationeel beginsel hebben: de animale ziel, de dierlijke ziel. Dit is het zieledeel dat wij met dieren gemeen hebben en dat ons laat eten, warmte zoeken, enz.

Het andere is het deel dat het bewuste, rationele deel 'tegenwerkt' (in de 20e eeuw zal dit door Freud het onderbewuste genoemd worden).

 

les 4
 

Boek II van de Ethica Nicomachea

1. Deugd wordt verworven door oefening.

Er zijn twee vormen van optimaal functioneren, de intellectuele vorm en de morele vorm. Optimaal functioneren op intellectueel gebied is het gevolg van onderricht en optimaal functioneren op moreel gebied komt door oefening tot stand.

Optimaal functioneren in moreel opzicht ontstaat omdat we er van nature voor zijn toegerust.

Wat we moeten leren doen, leren we al doende. Zo worden we rechtvaardig door rechtvaardige handelingen en moedig door moedige handelingen.

Activiteiten die we aan de dag leggen moeten een bepaalde kwaliteit hebben, want verschillen in de activiteiten impliceren overeenkomstige verschillen tussen de disposities.

2. Ethica is een praktische wetenschap: we moeten onderzoeken hoe we moeten handelen.

De onderzoekingen van de ethica zijn erop gericht hoe we moeten handelen.

Bij lichaamskracht en gezondheid zien we dat te veel en te weinig van bepaalde dingen niet goed zijn. Te veel eten is slecht en te weinig evenzeer. Te veel lichaamsoefening is slecht voor het lichaam en doet de lichaamskracht afnemen, maar te weinig lichaamsoefening is ook slecht.

Bij de deugden geldt dit ook: een te veel doet ze teniet en een te weinig eveneens.

Dit is zo bij gematigdheid, moed en de andere deugden. Wie voor alles bang is wordt laf, wie voor niets bang is wordt roekeloos.

3. Deugd heeft te maken met genot en pijn

Het genot of de pijn waarmee onze handelingen gepaard gaan, moeten we als een teken van onze dispositie beschouwen. Deugd heeft namelijk te maken met genietingen en pijnen, want het is genot dat ons slechte dingen doet verrichten en het is pijn die maakt dat wij ons onthouden van wat moreel juist is.

Daarom moeten we leren de juiste dingen prettig en pijnlijk te vinden, daarop is opvoeding gericht.

4. Wanneer is een handeling deugdzaam?

Een zadelmaker maakt een zadel en kan dat goed doen. Aan de andere kant is alleen het product van belang: het goede zadel.

In de ethiek is ook van belang dat iemand handelt vanuit een bepaalde dispositie. Allereerst moet hij handelen op basis van kennis, op basis van een weloverwogen keuze, namelijk hij moet de handeling zelf op het oog hebben (en niet het resultaat), hij moet handelen vanuit een bestendige dispositie.

Kennis is noodzakelijk voor de uitoefening van een vak, de nadere twee zijn voorwaarden voor de ethiek.

5. Deugd is een dispositie

Er zijn drie dingen die zich in de ziel voordoen: emoties, vermogens en disposities.

Deugd moet dus een van deze drie zijn.

6. Deugd is een dispositie die het midden weet te treffen.

Deugd is een dispositie om een weloverwogen keuze te maken, gelegen in een midden in relatie tot ons, dat bepaald is door een rationeel beginsel, en wel op de manier zoals de man met praktisch inzicht dat zou bepalen. Het is een midden tussen twee vormen van morele slechtheid, de ene vanwege een teveel en de andere vanwege een te weinig.

7. Definitie toegepast op enkele deugden.

Zie voorbeelden in de tekst.

 

 

les 5
 

Boek III van de Ethica Nicomachea

Boek III bespreekt de vrijwillige en onvrijwillige handelingen.

daden zijn onvrijwillig wanneer er sprake is van
----- dwang van buitenaf waarbij de actor ook nog eens niets aan de handeling toevoegt
----- onwetendheid

De vraag kan gesteld worden of daden uit angst vrijwillig of onvrijwillig zijn. Deze daden zijn vrijwillig, maar opzichzelf niet verkieslijk.

Van wat voor soort daden moeten we zeggen dat ze gedwongen zijn?

a) Aangename en moreel juiste daden zijn dwingend. Dit alternatief wordt afgewezen.

b) Alles wat uit onwetendheid wordt gedaan is niet-vrijwillig.

Aristoteles maakt nog een verschil tussen uit onwetendheid of in onwetendheid.
De reden is dat onwetendheid soms is aan te rekenen.

Handelen uit een bepaalde soort van onwetendheid is onvrijwillig concludeert Aristoteles. (Dat zijn de gevallen waarbij de gevolgen als onbedoelde en onvoorziene effecten optreden.)

Verder stelt Aristoteles dat het niet juist is dat handelingen uit woede of begeerte onvrijwillig zijn.

De weloverwogen keuze:

de weloverwogen keuze is niet gelijk aan begeerte of temperament, want begeerte en temperament is ook een eigenschap van dieren.

het is ook niet gelijk aan willen of een bepaalde opvatting.

Bijvoorbeeld, we willen onsterfelijk worden, maar dat is niet iets waarvoor we kunnen kiezen.
Opvattingen zijn typisch zaken die waar of onwaar kunnen zijn.

De weloverwogen keuze gaat gepaard met een redelijk beginsel en discursief denken. Als zodanig is de weloverwogen keuze een oorzaak van handelen en gebeurtenissen in de wereld. (Vergelijk Kant die in de Kritik der Reinen Vernunft en de Kritik der Praktishen Vernunft hetzelfde stelt: het handelen van de mens zet oorzakelijke ketens van gebeurtenissen in het werk.)

Tot oorzaken van gebeurtenissen in de wereld worden gerekend:  natuur, noodzaak en toeval + het intellect en alles wat door het toedoen van de mens plaatsvindt.

We gaan niet bij onszelf te rade over de doelen, maar over de middelen om deze doelen te realiseren. Het doel is het voorwerp van het willen.

Het doel is dus het voorwerp van het willen e de middelen tot het doel vormen het onderwerp van de overweging en weloverwogen keuze. Handelingen gebaseerd op een weloverwogen keuze moeten derhalve wel vrijwillig zijn.

De rest van boek 3 wordt gevuld met beschouwingen over individuele deugden, zoals moed, gematigdheid en losbandigheid.

 

les 6
 

Boek V van de Ethica Nicomachea

Rechtvaardigheid: rechtvaardigheid is de dispositie die ons rechtvaardig doet handelen. We kunnen alleen ůf rechtvaardig handelen of alleen onrechtvaardig. We kunnen bijvoorbeeld niet rechtvaardig het onrechtvaardige doen.

Rechtvaardigheid houdt in: zich aan de wet houden en redelijk zijn en onrechtvaardig betekent de wet overtreden en onredelijk.

De wetten spreken over alles en beogen daarbij het gemeenschappelijk belang van allen, of van de besten, of van de genen die op grond van hun bekwaamheid de macht hebben.

De wet is volmaakte deugd. De wet is immers rechtvaardig en rechtvaardigheid is de hoogste deugd.

Het rechtvaardige manifesteert zich in concrete gevallen. De concrete gevallen kunnen wel in twee groepen verdeeld worden: de verdeling van geld en eerbewijzen onder de leden van de samenleving en correcties bij transacties.

Rechtvaardigheid bij verdeling bestaat uit een evenredige verdeling van goederen: en wel naar verdienste. evenredigheid betekent dat er een proportionele verdeling tot stand komt waarbij de verhoudingen gelijk zijn.

Les 7
 

Begeleidend materiaal voor les 7 & 8 uit: Hans Nieuwenhuis: Orestes in Veghel, Recht, literatuur en civilisatie. Balans, 2004.

 

Les 8
 

Boek VIII van de Ethica Nicomachea

Aanvullend materiaal:

Wat is de civil society? uit Burgers en hun bindingen onder redactie van Jaap Gruppelaar. Damon, 2000.

Zie het artikel van Xavier Vanmechelen (tip van Ben Polane): 1 1 De interactieve genieter. Sociaal holisme en genot

In boek VIII wordt uitgebreid ingegaan op de deugd vriendschap. Vriendschap is een deugd, want het is immers een vorm van optimaal functioneren.

Bij vriendschap speelt liefde een rol. Voorwerp van liefde is wat aangenaam en goed is. Voor wat aangenaam en goed is komt het meest in aanmerking dat wat voor iemand aangenaam en goed is.

Er zijn (drie) redenen waarom mensen liefhebben:

Liefde voor levenloze voorwerpen (bijvoorbeeld wijn). Hierop is de term vriendschap niet van toepassing.

Welwillend zijn we naar anderen toe. De basis hiervoor is liefde en we wensen de ander al het goede toe.

Welwillendheid wordt vriendschap wanneer de welwillendheid wederkerig is en men het van elkaar weet.

Er zijn drie soorten van vriendschap: op nut gebaseerd (men heeft voordeel van de vriendschap), op genot gebaseerd (men geniet van wat de ander te bieden heeft, bijvoorbeeld aangenaam gezelschap), en er is ware vriendschap die bestaat tussen mensen die goed zijn en die elkaars gelijken zijn in deugd.

 

Mensen die hun vrienden het goede toewensen om hun persoon zelf, zijn vrienden in de volle zin van het woord. Want het is hun eigen natuur die maakt dat zij zo zijn en zij zijn dat niet bijkomstig. De vriendschap tussen deze mensen houdt dus aan zolang zij goed zijn, en deugd is iets bestendigs. Elk van bei≠den is zowel goed zonder meer, als goed voor zijn vriend. De goede men≠sen zijn namelijk zowel goed zonder meer als nuttig voor elkaar. Evenzo zijn ze ook aangenaam; want de mensen die goed zijn, zijn zowel zonder meer aangenaam als aangenaam voor elkaar. Ieder vindt namelijk zijn eigen han≠delingen en handelingen die daarop lijken plezierig, en de handelingen van goede mensen zijn hetzelfde of lijken op elkaar.23

7. Het ligt in de rede dat zo'n vriendschap bestendig is. Want hierin komen alle eigenschappen samen die vrienden moeten hebben. Elke vriendschap namelijk heeft een goed of genot als motief, hetzij zonder meer, hetzij gere≠lateerd aan degene die de vriendschapsgevoelens heeft; en aan elke vriend≠schap ligt een zekere gelijkheid tussen de vrienden ten grondslag.24 Maar deze vorm van vriendschap heeft alle genoemde eigenschappen dankzij de aard van de vrienden zelf. Want bij deze vriendschap zijn de vrienden ook in de andere opzichten aan elkaar gelijk;25 en wat zonder meer goed is, is ook zonder meer aangenaam. Deze dingen zijn dus bij uitstek voorwerp van liefde en vooral tussen de partners in deze vriendschap bestaan liefde en vriendschap en wel in de beste vorm.

8. Het is te verwachten dat dergelijke vriendschappen zeldzaam zijn. Want zulke mensen tref je maar weinig aan. Bovendien vereist zo'n vriendschap ook tijd en vertrouwdheid. Want volgens het spreekwoord kan men elkaar pas kennen, als men eerst samen de bekende hoeveelheid zout heeft gege≠ten. 2(l En zij kunnen elkaar dus niet eerder als vriend accepteren en voor elkaar vrienden zijn, dan dat zij elkaar hebben laten zien dat zij werkelijk de vriendschap waard zijn en vertrouwen in elkaar hebben. 9. Mensen die snel een vriendschapsband aangaan, willen weliswaar vrienden zijn, maar zijn dat pas, als ze beiden ook werkelijk de vriendschap waard zijn en dit van elkaar weten. De wens namelijk om vrienden te zijn ontstaat snel, vriendschap niet. Deze vriendschap nu is in duurzaamheid maar ook in de andere aspecten volmaakt, en in alle opzichten krijgen de vrienden dezelfde of ongeveer dezelfde dingen van elkaar, precies zoals het tussen vrienden moet gebeuren.

De rest van boek VIII betreft een nadere uitwerking van alle aspecten die met vriendschap samenhangen.

Interessant zijn bijvoorbeeld nog: paragrafen 9, 10 en 11 waarin over de rol van vriendschap in de gemeenschap wordt gesproken en een relatie naar verschillende politieke systemen wordt gelegd.

 

Les 9

 


Michel Foucault: Parresia, Vrijmoedig spreken en waarheid. (Onder het motto: terug naar een deugdenethiek?)

Les 10
 

Les 11
 

Boek X van de Ethica Nicomachea

6. Geluk.

Geluk is geen dispositie. Geluk is om zichzelf te verkiezen en niet om iets anders. Bovendien is geluk volledig, er ontbreekt niets aan, het is zichzelf genoeg. We kiezen alles, behalve geluk om iets anders. Geluk is het einddoel.

7. Het perfecte geluk is gelegen in filosofische beschouwing.

De vorm van leven volgens het intellect is de meest gelukkige.

9. Alleen de wet kan de mens opvoeden tot deugdzaam leven en wetgeving is een onderdeel van de staatsinrichting.

Hoe krijgen we mensen tot deugdzaam leven? We kunnen argumenten leveren die laten zien hoe en waarom we het goede moeten doen. Maar argumenten alleen schieten te kort. Anders zouden we snel klaar zijn.

Er zullen wetten nodig zijn die mensen het goede laten doen. Want de meeste mensen zwichten eerder voor dwang dan voor argumenten en eerder voor straffen dan voor wat moreel juist is.

 

Over de hartstochten uit Hobbes: Leviathan

 

Les 12
 

Ethiek van Kant, uit: Filosofen van het klassieke liberalisme, onder redactie van P.B. Cliteur, A.A.M. Kinneging en G.A. van der List.

 



© Hypothesis 

Hypothesis is een initiatief van:
Baptist Vermeulen,
St-Jobskade 816, 3024 EN Rotterdam
Nederland
telefoon +31(0)6 1138 1089